Ergonomie onderwijzen: mens-product-interactie

Vrouw stofzuigt woonkamer. Copyright foto: Muris Kuloglija KulaLeukleukleuk! Morgen mag ik ergonomie geven aan HBO-studenten engineering. Ergonomie gaat over hoe mensen met producten om gaan. Als het goed is leren mijn studenten uiteindelijk om producten zo te ontwerpen dat mensen er makkelijk, comfortabel en veilig mee kunnen doen wat ze willen doen. Je snapt de uitdaging als je even nadenkt hoeveel frustraties spullen kunnen opleveren:

  • een verkeersbord dat gericht is naar rechts maar waarop een pijltje naar boven wijst, je moet dus rechtdoor
  • een fles motorolie die met stevig folie is verzegeld, zonder lipje om hem te openen
  • WC papier dat zo goed is dichtgeplakt dat je de halve rol sloopt om hem aan te kunnen breken
  • een uitwisbaar schrift dat niet goed uit te wissen is
  • twee lichtschakelaars naast elkaar, bij de ene betekent omhoog “aan”, bij de andere “uit”

Zie ook de grap “stel dat Microsoft auto’s zou bouwen” (NB Macintosh=Apple) of de columns van Jasper van Kuijk in de Volkskrant.

Er zijn grofweg drie dingen om op te letten bij het ontwerpen van producten, wat betreft het gebruik: de zintuigen, het lijf en de hersens van de gebruiker.

Het lijf: fysieke ergonomie

Ken je de Rietveldstoel? Of eigenlijk: een Rietveldstoel? Rietveld was nogal streng in de leer als ontwerper. Zijn stoelen zien er nou niet direct comfortabel uit. Maar hij hield zich wel degelijk bezig met bijvoorbeeld de prettigste hoek tussen zitting en leuning. Ze zitten verrassend veel beter dan het lijkt. Het adagium van de stroming ontwerpers waar hij toe behoorde (de Stijl en aanverwante stromingen) was “form follows function”: de vorm komt voort uit de functie, en alleen daaruit.

Nou, dan deze, van Michele de Lucchi. Die zit minder lekker. De stroming waar hij bij hoort (Memphis) had als motto “form follows fun”. Verfrissend, maar niet altijd even comfortabel…

Fysieke ergonomie gaat over lekker zitten, niet teveel kracht nodig hebben, passen, er bij kunnen: alles wat het lichaam aangaat. Daarbij moet de ontwerper ook goed kijken naar zijn gebruikers. Kinderen wriemelen zich in de kleinste kiertjes, ouderen hebben minder kracht en reikwijdte en mannen en vrouwen zijn gemiddeld genomen anders gebouwd. Het probleem is dat geen ontwerp voor iedereen perfect is, dus als ontwerper moet je er goed over nadenken wie je uitsluit en waarom, en of het ook anders kan. Gelukkig zijn er databases vol informatie over hoe lang, zwaar, buigzaam enzovoorts mensen zijn: het vergt een beetje kennis van statistiek maar dan kan een ontwerper met recht zeggen dat hij iets heeft gemaakt dat voor 80% van de bevolking goed past. (Dat vakgebied heet antropometrie, “mensmeetkunde”, zie hier de tabellen met “mensmeetinformatie”.)

De zintuigen: sensorische ergonomie

Producten brengen informatie over, van het piepje van de magnetron tot een verkeersbord en van een lampje dat flikkert omdat het peertje stuk gaat tot een sok waar je aan kunt ruiken dat hij nodig in de was moet. Die informatie is deels bewust ontworpen (zoals het piepje), deels niet (peertje en sok). Als ontwerpers willen dat jij als gebruiker die informatie kunt waarnemen en gebruiken, moeten ze rekening houden met je zintuigen. Dat heet sensorische ergonomie.

Maar waar houd je rekening mee? Als (beginnend) ontwerper is het makkelijk om uit te gaan van jezelf. Maar dat is een valkuil: niet iedereen heeft een even goed gehoor of zicht als jij. (Laat staan dat anderen even handig zijn in het begrijpen van producten, maar dat is weer een ander verhaal.) Ontwerpers doen er goed aan zo veel mogelijk rekening te houden met de mensen met het slechtste waarnemingsvermogen binnen hun doelgroep. Als het even kan bouwen ze “redundantie” in, dat wil zeggen dat belangrijke signalen op verschillende manieren worden gegeven. Denk aan een telefoon die trilt, lichtgeeft en geluid maakt bij een bepaald signaal, of aan een knop die niet alleen in een andere stand springt maar ook blokkeert.

De hersenen: cognitieve ergonomie

Goed, signaal verzonden en ontvangen, en dan? Dan moet de gebruiker het signaal herkennen, hij moet er de juiste informatie aan ontlenen, en hij moet beslissen wat hij er mee doet. Dat hele stuk is het terrein van de cognitieve ergonomie. Super interessant, en des te relevanter naarmate producten er steeds vaker uitzien als een rechthoekje met een touchscreen. Alles wat zich in een computer afspeelt moet door ontwerpers worden omgezet naar informatie waar de gebruiker wel wat van snapt. Een belangrijke discipline binnen de cognitieve ergonomie is dan ook het user interface design: het ontwerp van dat deel van het product dat met de gebruiker communiceert en waardoor de gebruiker met het product communiceert.

Hele leuke boeken hierover zijn “100 things every designer needs to know about people” en “100 more things…” van Susan Weinschenk.

Inclusief ontwerpen

Inclusief ontwerpen gaat uit van het idee dat een product dat voor mensen met een beperking is ontworpen voor de niet-beperkten vaak net zo goed te gebruiken is, en meestal comfortabeler is. Dus door een product zo te ontwerpen dat het voor iedereen geschikt is sluit je niemand onnodig buiten en gaat iedereen er op vooruit. Wel zo sociaal, vind ik. (Je kunt dit overigens ook toepassen op alle andere aspecten waarop mensen van elkaar kunnen verschillen, maar bij het ontwerpen gaat het bij inclusief (inclusive design, design for all) meestal over zintuiglijke, fysieke of cognitieve beperkingen.)

Jasper van Kuijk geeft hier nog een mooi voorbeeld van gelijkvloerse treinen: daarmee kunnen rolstoelgebruikers zelfstandig reizen, maar ze zijn ook fijn voor mensen met een koffer of kinderwagen.

Koffiezetten in de klas

Dus wat ga ik morgen doen met mijn studenten? Koffiezetten! Zoveel kleine handelingen, zoveel zintuigen: het gepruttel als het ding doorloopt, de geur als de koffie klaar is, het gesis als je koffie op het warmhoudplaatje morst… Ik heb zelfs een Porsche geregeld, althans, een door Ferdinand Porsche ontworpen Siemens-koffiezetter. Kijken of het design het gebruik ondersteunt of juist in de weg zit!

En in het kader van inclusief ontwerpen gaan ze komende weken een appeltje schillen met werkhandschoenen aan, de krant lezen met een laskap op en bellen met gehoorbeschermers. Kijken of ze dan nog zo bijdehand zijn. Of beter geformuleerd: door ze op eenvoudige wijze een beperking te laten ervaren hoop ik dat ze zich realiseren wat het betekent als ze met hun ontwerp mensen uitsluiten, bewust of onbewust. Hopelijk gaan ze er dan tegenaan om te zorgen dat spullen voortaan beter passen bij hun gebruikers.